|
Norm en afwijking: de DSM-5
Als het gaat over de norm en de afwijking, denk je al snel aan mensen die om wat voor reden dan ook afwijken van de heersende norm. Dit kan gaan om een fysieke handicap, bijvoorbeeld bij mensen die een been missen en daarmee afwijken van de norm 'mensen hebben twee benen'.
Wat normaal, en dus de norm is, kan op verschillende manieren bepaald worden.
Ongeschreven normen die gaan over gedrag of omgang met anderen worden vaak sociaal bepaald, er is binnen een groep mensen of cultuur consensus over.
In wetenschappelijke zin is de norm vaak een statistisch gegeven: dat wat bij de meerderheid van de populatie voorkomt, is normaal. Een andere manier om te bepalen wat normaal is, is dat wat ideaal of gewenst is, als normaal te beschouwen. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om een ideaal zoals zelfontplooiing: de vrijheid van een individu om zichzelf te ontplooien. Een derde definitie van de norm is de afwezigheid van stoornissen, zoals deze gehanteerd wordt in de medische wetenschap. Als je niet ziek bent, ben je gezond; als je geen psychische stoornissen hebt, ben je 'normaal'.
Om vast te stellen of iemand een medische stoornis heeft, wordt gekeken of hij/zij last heeft van (een combinatie van) symptomen passend binnen vastgestelde categorieën in een classificatiesysteem. Voorbeelden van medische classificatiesystemen zijn de ICD-10 van de World Health Organisation en de DSM, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders van de American Psychiatric Association. Momenteel wordt de inhoud van de huidige editie (DSM-IV) herzien, wat voor veel discussie zorgt onder medisch professionals. Naar verwachting verschijnt de DSM-5 in mei 2013.
Dit is voor aanleiding om een nummer aan deze ‘bijbel voor de psychiatrie’ te wijden. Deze editie van Blind draait om de DSM als normbepalend instrument. Want de DSM definieert psychische stoornissen aan de hand van combinaties van symptomen. In feite stelt de DSM de norm voor de afwijking: passen jouw symptomen niet binnen het classificatiesysteem, dan wijk je niet genoeg af en heb je geen psychische stoornis. Psychologen, onderzoekers en een psychiatrisch patiënt reflecteren in deze editie van Blind op de toepassingen en tekortkomingen van de DSM.
In het artikel De evolutie van de DSM van psychologe Roos de Graaf leest u hoe de DSM door de jaren ontwikkeld is en hoe het classificatiesysteem in de praktijk toegepast wordt door therapeuten.
Eén van de problemen met de DSM is dat er weinig aandacht is voor de etiologie (-hoe deze/het ontstaan) van de stoornissen. Onder andere om deze reden bepleit sociaal psycholoog Jan Derksen in zijn artikel De DSM in het perspectief van de kritiek dat er meer aandacht moet komen voor onderliggende theorieën bij de stoornissen en de belangrijke rol van de psychotherapeut hierin.
In haar artikel Wanneer is een kopje, een kopje en geen mok? brengt Hilde Geurts beide standpunten samen: aan de hand van de stoornis autisme schetst zij de controverses rond de DSM, maar betoogt ook waarom deze toch van belang is.
Dat de DSM juist wel een zinnige bijdrage kan leveren in de patiëntenzorg, betoogt psychiater Jan Swinkels. In een interview door onze redacteur Petra van der Kooij geeft hij antwoord op de vraag waarom de DSM er is en waarom deze belangrijk is, in De DSM is voor de psychiater.
Tot slot komt de andere kant van het verhaal aan bod: die van de patiënt. In de column Geoorloofd ongelukkig zijn beschrijft een anonieme studente hoe het is om te leven met meerdere DSM-diagnoses en hoe de DSM haar genezingsproces beïnvloedde.
De redactie wenst u veel leesplezier!
|