20    Het is tijd

Vreemde tijden
Wouter Kusters
- 1 reactie

Tijdnood
Marleen Rensen

Van hier naar vroeger
Balt van Rees

'Tijd' in Sein und Zeit van Martin Heidegger
Victor Kal
- 2 reacties

Zonder uitweg
Daisy van de Zande
- 2 reacties

Tijd en dramaturgie
Erik Laeven
- 2 reacties

Column: Elastici-tijd
Aniek Hollanders
- 2 reacties

colofon  issn 1879-8144  14 mei 2009

Alle edities   Vakgebieden            
English   Over Blind       Vacatures
Volg ons:               
© 2004–2019 Blind    disclaimer   cookies

 

BLIND
20
 online interdisciplinair tijdschrift  
BLIND 20
alle edities      



zoeken + vakgebieden       



random editie       



vorige editie       



volgende editie       
naar boven       

Na de Eerste Wereldoorlog begon in Europa een tijd van crisis, zij volgden elkaar in korte tijd op. Deze plotselinge ingrijpende gebeurtenissen waren er mede oorzaak van dat de tijd als een stroomversnelling werd waargenomen; ten tijde van het interbellum kreeg men steeds sterker het idee in tijdsnood te verkeren. Deze veranderde beleving van tijd wordt door Paul Nizan weergegeven in zijn literatuur. Marleen Rensen bespreekt onder andere zijn roman Antoine Bloyé in het licht van de politieke en economische gebeurtenissen van het interbellum.

Dr. Marleen Rensen promoveerde in algemene literatuurwetenschappen in januari 2008. Dit artikel is gebaseerd op haar proefschrift Lijden aan de tijd. Franse intellectuelen in het interbellum, dat in april 2009 werd uitgegeven.


Lees het artikel

BLIND 20 - Het is tijd
sluiten

Hoofdredactie

Maud Dahmen
Martin Olsthoorn


Eindredactie

Gerard van den Akker
Sarah Welling (Engelse taal)


Redactie

Aniek Hollanders
Swaan van Iterson
Katja de Jong
Daphne van der Pas
Arno Verweij (webmaster)


Redactieraad

drs. Kim van den Berg
dr. Wim Ghijsen
dr. Casper de Groot
drs. Machiel Keestra
dr. Bernard Kruithof
drs. Tamara Metze
dr. Onno Meijer
Lucy Wenting, MA


klik hier voor huidige redactie


sluiten

Tijdnood

Over tijd, literatuur en politiek bij Paul Nizan

              
alle bijdragen van deze auteur
korte inleiding & meer over de auteur
all articles by this author
short intro & about the author
artikel door Marleen Rensen

De 'tijd' van het interbellum kan in historische termen worden begrepen als het tijdvak tussen de twee wereldoorlogen. Hoewel er enige discussie mogelijk is over de data die het precieze begin- en eindpunt markeren, kan in ieder geval worden vastgesteld dat de periode ruim twintig jaar omvat. Dat is een objectief gegeven. Veel moeilijker is het om vast te stellen hoe men het verstrijken van die jaren heeft beleefd. Tijdsbeleving is nu eenmaal moeilijk te meten of zichtbaar te maken met behulp van een kalender of klok. De historicus Loe de Jong merkte in zijn werk over de Tweede Wereldoorlog ook op dat de 'objectieve' tijd vaak sterk afwijkt van de 'subjectieve' beleving ervan: de Duitse bezetting duurde vijf jaar, maar voor veel Nederlanders leek het een eeuwigheid. Met deze observatie illustreert De Jong treffend dat de vergelijking van het objectieve en subjectieve tijdsbegrip soms een bijzonder inzicht kan geven in een tijdvak uit het verleden. (De Jong, 1972; Grever en Jansen, 2001, p. 7)

De vraag naar de tijdsbeleving is uitermate relevant voor het interbellum. In de beleving van veel intellectuelen leken de jaren toen niet voorbij te kruipen, maar te vliegen. Dat heeft allereerst te maken met de indringende veranderingen in deze periode, waaraan het verstrijken van de tijd werd afgelezen. De Eerste Wereldoorlog werd alom ervaren als een historische breuk, die de wereld zo had veranderd dat er geen continuïteit meer werd gevoeld met het verleden van vóór 1914. Het besef van tijd en verandering werd in de jaren dertig alleen maar sterker. De geschiedenis leek in een stroomversnelling te komen doordat de crisissituaties elkaar in hoog tempo opvolgden: de beurskrach van 1929, de machtsovername van Hitler in 1933, Mussolini's inval in Ethiopië in 1935, het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog in 1936, de akkoorden van München in 1938 en tenslotte de Duitse inval in Polen in 1939, waarmee de Tweede Wereldoorlog begon.

Het cultuurpessimisme was een andere factor die bijdroeg aan het verscherpte tijdsbewustzijn. Paul Valéry, Oswald Spengler en andere intellectuelen schreven zorgelijke beschouwingen over de teloorgang van de westerse beschaving. De schok van de Eerste Wereldoorlog had het geloof in vooruitgang op abrupte wijze beëindigd en er leken geen andere waarden en idealen meer te zijn waar de beschaving nog op kon bogen. De vrees voor het einde van de westerse cultuur is niet los te zien van het idee dat tijd een vernietigende kracht is die waarden en beschavingen ontbindt en in het niets doet verdwijnen. Het failliet van de oude beschavingsidealen, die lang voor tijdloos werden gehouden, betekende bovendien dat het begrip van 'eeuwigheid' aan betekenis had ingeboet. Aangezien ook God door menigeen was doodverklaard, bleef alleen de tijd over.

In het interbellum voelden met name Franse schrijvers zich gevangen in de greep van de tijd (Rensen, 2009). Velen onder hen zochten naarstig naar politieke, het liefst radicale, oplossingen om het sombere tij te doen keren. Op de voor het interbellum typerende wijze ging hun verwachting van rampspoed dikwijls gepaard met grootse idealen en toekomstverwachtingen. Of ze nu aan de linkerkant of aan de rechterkant van het politieke spectrum stonden: ze gaven blijk van een sterke preoccupatie met het verstrijken van de tijd. Niet alleen omdat ze een besef van crisis en urgentie hadden, maar ook omdat ze worstelden met existentiële vraagstukken over tijd, vergankelijkheid en eindigheid. Opmerkelijk is in dit verband dat politieke idealen verstrengeld raakten met het verlangen naar een andere wijze van tijdsbeleving.

De 'tijd' in Antoine Bloyé (1933)

De Franse schrijver en journalist Paul Nizan (1905-1940) was een duidelijke exponent van deze kringen. Nizan studeerde in de jaren twintig aan de vermaarde Franse eliteschool école Normale Supérieure en was jarenlang de beste vriend van Jean-Paul Sartre. Hun vriendschap zou altijd standhouden, ook al bekoelde deze enigszins toen Nizan in 1927 lid werd van de communistische partij, terwijl Sartre zich nog helemaal niet voor politiek interesseerde. Nizan werd in de jaren dertig een belangrijke partijideoloog, maar trok zijn lidmaatschap in toen hij in 1939 het nieuws vernam over het pact tussen Hitler en Stalin. Het blijft de vraag hoe zijn denken zich na de breuk met de partij ontwikkelde, aangezien hij in 1940 overleed aan het front van de Tweede Wereldoorlog.1 (Ory, 2005, p. 7)

Er schuilde een grote rusteloosheid in Nizans houding als revolutionair. Typerend is zijn noodkreet in een pamflet uit 1931: 'De tijd dringt. Dit is het moment om de strijd aan te binden.[..] Tijd om de handen vuil te maken' (Nizan, 1931, p. 183). Het gevoel om steeds te moeten haasten en tijd tekort te komen, had bij Nizan zeker te maken met de dreigende tijdsomstandigheden, maar nog meer met zijn existentiële angsten. Hij kon zich niet losmaken van de gedachte dat de mens was overgeleverd aan de tijd en weerloos stond tegenover de dood. Omdat Nizan daarover uitvoerig reflecteerde in romans en essays, kan zijn werk goed illustreren dat politiek en tijdsbeleving in het interbellum nauw met elkaar verbonden waren.

Nizan heeft het thema van de tijd het meest systematisch uitgewerkt in de roman Antoine Bloyé (1933). Dit is het verhaal van de gelijknamige hoofdpersoon, die het arbeidersmilieu van zijn jeugd ontstijgt en carrière maakt bij de Franse spoorwegen. In de periode dat Antoine zijn loopbaan begint, in het laatste kwart van de negentiende eeuw, maken de spoorwegen een explosieve ontwikkeling door: het spoorwegennet wordt in rap tempo uitgebreid en de snelheid van de locomotieven wordt opgevoerd. Door de dwang van het spoorboekje moet Antoine steeds meer overuren maken: 'Hij werd opgejaagd door de wijzers van de klok [..] Er was geen tijd te verliezen. De treinen moesten op tijd rijden' (Nizan, 1933, p. 133). Uiteindelijk zal Antoine onder grote tijdsdruk een fout maken die hem zijn carrière kost. Pas als hij beschaamd en depressief thuis komt te zitten, realiseert hij zich dat hij zo in de ban is geweest van de jacht op fortuin dat het leven zelf aan hem is voorbijgegaan.

Antoine vertegenwoordigt de waarden van de burgerlijk kapitalistische samenleving, waarin snelheid en efficiëntie overheersend zijn geworden. Zijn levensverhaal laat niet alleen zien dat de tijdservaring in enkele decennia ingrijpend is veranderd, het maakt ook inzichtelijk wat het betekent om te leven met het kapitalistische imperatief 'tijd is geld'. Tijd wordt in economische termen begrepen als een schaars goed, waarvan nooit genoeg is. Antoines tijdservaring is dan ook altijd negatief: aan het begin van zijn carrière is de tijd een afwezigheid van bezit en status; vervolgens is het een nog niet genoeg hebben; en uiteindelijk is het de leegte van wat verloren is gegaan. De abstracte en lege tijd van het kapitalisme vraagt continu om invulling, zonder ooit 'vol' te worden. Antoine vond nooit voldoening, omdat hij zijn geluk altijd uitstelde tot de volgende dag, of het volgende jaar waarin het nog beter zou zijn. Toen dat besef eindelijk tot hem doordrong, was het te laat om nog iets te veranderen.

In de roman worden twee werelden van tijd tegenover elkaar geplaatst: de lege, lineaire tijd van de moderne industriestad en de cyclische tijdsbeleving van de traditionele Bretonse gemeenschap waarin Antoine was opgegroeid. In het Bretagne van zijn jeugd leidde men een regelmatig en traag verglijdend bestaan dat was afgestemd op de vaste ritmes van de natuur, zoals de op- en ondergang van de zon en de wisseling van de jaargetijden. Haast en tijdgebrek waren er onbekend. Antoine raakte steeds verder van dit 'trage leven' verwijderd, zegt de verteller, 'met elke motor die zich in beweging zette, met elke boot die de kabels losgooide en met elke trein die koers zette' (Nizan, 1933, p. 55). De jachtige levensstijl van de stad, waarin Antoine vervolgens wordt meegezogen, wordt mooi verbeeld door de stations, waar passagiers klagen over een paar minuten vertraging en constant op de klok kijken, bang om hun aansluiting te missen.

Voor een communist als Nizan, die gericht was op de komst van een nieuwe, betere toekomst, was de traditionele, agrarische samenleving uit het verleden geen model om na te streven. Dit maatschappijmodel dient in de roman dan ook vooral om te illustreren dat er historische en economische ontwikkelingen ten grondslag liggen aan de moderne tijdservaring en de grote waarde die daarin wordt toegekend aan stiptheid en snelheid. Bovendien suggereerde Nizan, ondanks kritiek op de oude sociale en economische structuren, dat de oorspronkelijke tijdsbeleving toch aantrekkelijker was. Daar, op het platteland, hadden de maanden en jaren tenminste nog een vaste plaats en betekenis binnen de eeuwige natuurlijke ritmes. Daartegenover is de tijd in de moderne samenleving alleen nog een economisch begrip, dat van ieder zinvol verband is ontdaan.

De veranderde tijdservaring krijgt in de roman een des te negatievere betekenis, omdat deze gepaard gaat met het verlies van de gemeenschap. De eenzame Antoine kan zijn levenstijd dan ook alleen maar zien als een lineaire stroom die rechtstreeks van de wieg naar het graf voert. Om het met de woorden van de verteller uit Antoine Bloyé te zeggen, is de tijd een 'dodelijke optelling van jaren' (Nizan, 1933, p. 46). Deze woorden lijken een perfecte illustratie van Nizans eigen tijdsgevoel. Hij was zich er steeds in hoge mate van bewust dat iedere dag en ieder uur hem, onontkoombaar, een stap dichter bij de dood bracht. De tijdsdruk die Nizan voelde was groot: hij wilde zijn leven zinvol maken, vóór de dood zich aandiende. Maar hoezeer hij ook zijn best deed om zo intens mogelijk te leven, er leek steeds een tekort aan tijd te zijn.

Tijd, utopie en communisme

De ideologie van het communisme heeft Nizan ten dele van zijn tijdsdruk bevrijd. Het leven was niet langer leeg, nu de tijd een richting en een einddoel had: de communistische heilstaat. De belofte van een stralende toekomst veranderde de beleving van de tijd. De dagen en jaren werden een wachten op de eerste tekenen van revolutie en een doelgericht engagement dat gericht was op de totstandkoming van de heilstaat. En als het nieuwe tijdperk eenmaal was aangebroken, zou de omgang met de tijd voorgoed veranderen. Dat was althans de hoop van Nizan. Hij verwachtte dat men in de toekomst minder angstig zou zijn voor de dood en de tijd niet langer zou ervaren als een leegte van vervlogen of nog komend geluk.

Het verlangen om verlost te worden van tijd en vergankelijkheid sluit aan bij een lange utopische traditie. Zo stelt de filosoof Hans Achterhuis in zijn essay Werelden van tijd dat de utopie een antwoord is op het probleem van de 'schaarste aan tijd' (Achterhuis, 2003). In de ideaal gedachte samenleving worden de beperkingen van tijd en ruimte dan ook zoveel mogelijk opgeheven. Dit komt tot uiting in de voorstelling van een strak georganiseerde samenleving, waarin op ieder terrein maximale tijdwinst wordt geboekt. Baanbrekende ontdekkingen in wetenschap en technologie zorgen er bovendien voor dat het proces van ouder worden wordt vertraagd en de levensduur fors toeneemt. Zo bezien lijkt de utopische wereld een seculier alternatief voor het eeuwige rijk van God.

Hoe hoopvol zijn verwachtingen over de communistische staat ook waren, Nizan was geen naïeve utopist die zich het 'einde' van de geschiedenis voorstelde als een paradijselijke wereld waarin tijd en dood geen plaats meer zouden hebben. Ieder begrip van 'eeuwigheid' wekte zijn wantrouwen en in pamfletten nam hij in felle bewoordingen afstand van tijdgenoten die probeerden aan de tijd te ontkomen vanuit een religieuze, mystieke of esthetische levenshouding. Temporaliteit moet niet ontkend of ontvlucht worden, vond Nizan, want deze raakt aan de essentie van het menselijk bestaan. Ervan doordrongen zijn dat het leven eindig is, dwingt immers tot de vraag 'wat maak je van je leven?'.

Antoine Bloyé is in dit opzicht illustratief. Na zijn maatschappelijke val moet Antoine de pijnlijke waarheid onder ogen zien dat zijn leven nietig en nutteloos is. Het enige waar hij nu nog aan kan denken is de dood. Dit was tot dan toe niet meer dan een abstract idee voor hem geweest. Zoals Tolstoj in De dood van Ivan Iljits (Tolstoj, 1886) laat Nizan zijn held verwijzen naar de bekende stelregel uit de logica: 'Alle mensen zijn sterfelijk, dus ook ik zal op een dag sterven' (Nizan, 1933, p. 274). Maar, zegt de verteller, zoals de meeste mensen paste Antoine de consequentie van dat inzicht niet werkelijk op zichzelf toe. Pas aan het eind van zijn leven zag hij het helder: 'Ik, ik moet sterven' (Nizan, 1933, p. 280). Wanneer hij dan de mensen in de stad observeert, denkt Antoine: 'Ze weten niet dat ze hun tijd verdoen [..] dat de tijd dringt en dat ze waarachtig moeten leven' (Nizan, 1933, pp. 280-281).

Nizan wilde de dood dus geenszins uit het leven bannen, maar hij hoopte wel dat de mens op den duur in staat zou zijn de tijd en vergankelijkheid beter te verdragen, omdat het leven in de heilstaat een zin had, de arbeid een doel voor de gemeenschap. Het is daarbij van groot belang dat het individuele tijdsbegrip plaats zal maken voor een ruimer tijdsbegrip dat door een collectief gedragen wordt. De droom van Nizan werd mooi verwoord door Sartre: 'De afschaffing der klassen dichtten alle leemten. Door een langlopende onderneming verenigd gingen de werkers door hun dood over in andere werkers, en die op hun beurt weer in andere, en steeds andere, steeds weer dezelfde generaties zouden elkaar opvolgen' (Sartre, 1977, Amsterdam, pp. 128-129).2 De nieuwe mens zou beter om kunnen gaan met de eindigheid van zijn leven, omdat hij deel uitmaakte van een gemeenschap die na zijn dood voortleefde en zich eeuwig vernieuwde.

Dat er een grote kloof is tussen droom en realiteit heeft Nizan zelf moeten ervaren toen hij in 1934 naar de Sovjet-Unie reisde. Hoewel hij enthousiaste verslagen over het rijk van de toekomst schreef, vertelde hij Sartre en Beauvoir dat niet al zijn verwachtingen waren ingelost. Mensen waren er nog steeds bang voor de dood. In haar memoires beschrijft Beauvoir zijn deceptie als volgt:

'Hij [Nizan] had zich afgevraagd of het geloof in het socialisme die angst zou kunnen bezweren. Hij had dat gehoopt en langdurig met jonge Russische communisten over dat onderwerp gesproken; maar allemaal hadden ze gezegd dat kameraadschap en solidariteit geen hulp boden tegenover de dood en dat zij daar bang voor waren [..] Het was een hele klap voor hem te ontdekken dat ook ginds, net als hier, iedereen alleen was als hij stierf en dat ook wist.' (Beauvoir, 1960, p. 207)

Nizans hoopvolle verwachting ten aanzien van een nieuwe maatschappij is vooral illustratief voor het tijdvak waarin hij leefde. De tijd was voor hem een persoonlijke obsessie, maar deze werd mede bepaald door de sfeer en gebeurtenissen van het interbellum. Het werk van Nizan vertoont ook dezelfde preoccupaties als dat van tijdgenoten: de ervaring van discontinuïteit, het gevoel van versnelling, het besef van crisis en urgentie, de worsteling met existentiële vraagstukken, en tot slot, de aantrekkingskracht van een meer natuurlijke of cyclische tijd. Bij fascistische schrijvers als Robert Brasillach en Pierre Drieu la Rochelle gingen politieke idealen eveneens vergezeld van het verlangen om zich te bevrijden van de last van tijd. Afgezien van grote, soms cruciale verschillen in hun werk, manifesteert zich op een dieper niveau toch een overeenkomst in de preoccupatie met tijd. De analyse van de tijdsbeleving kan dan ook licht werpen op het massale engagement van schrijvers, wat nog steeds een van de meest merkwaardige en fascinerende verschijnselen van het interbellum is.

Dit artikel is een bewerking van een meer uitvoerige analyse van de tijdsbeleving bij Nizan en andere schrijvers in: Lijden aan de tijd. Franse intellectuelen in het interbellum, Soesterberg, 2009 (verschijnt naar verwachting in april).

Noten

1. Het manuscript waaraan Nizan in de Tweede Wereldoorlog werkte, is nooit teruggevonden.

2. Sartre schrijft dit in het voorwoord bij de nieuwe uitgave van Nizans pamflet Aden Arabie uit 1961.

Lees nóg een artikel over

geschiedenis

literatuur

politiek


of lees verder in

of deel

                   

Noten en/of literatuur

Achterhuis, H., Werelden van tijd, Stichting Maand van de Filosofie, 2003.

Beauvoir, S., La Force de l'âge, Parijs, 1960. J. Harderberg (vert.), De bloei van het leven, Bussum, 1979.

Grever, M. en H. Jansen (ed.), De ongrijpbare tijd. Temporaliteit en de constructie van het verleden, Hilversum, 2001.

Jong, L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog 1939-1945: Deel 4 (1e+2e helft): Mei '40-Maart '41 (1940-1941), Den Haag, 1972.

Nizan, P., Aden Arabie, Parijs, 1931.

Nizan, P., Antoine Bloyé, Parijs, 1933.

Ory P., Paul Nizan: Destin d'un révolté, Brussel, 2005.

Rensen, M., Lijden aan de tijd. Franse intellectuelen in het interbellum, Soesterberg, 2009.

Sartre, J.P., Revolutie en literatuur. Een keuze uit Situations 1938- 1976, Amsterdam, 1977.

Tolstoj, L., Smert Ivana Iljitsja, Sint-Petersburg, 1886. A. Langeveldt (vert.), De dood van Ivan Iljitsj, Amsterdam, 2007.

Reageren




De redactie behoudt zich het recht voor om reacties in te korten of te verwijderen indien daar reden toe is.


           


Lees nóg een artikel over

geschiedenis

literatuur

politiek



Alle edities   Vakgebieden  
             
Wilt u op de hoogte gehouden worden van nieuwe edities en activiteiten van Blind? Meldt u aan voor onze digitale nieuwsbrief:



Het e-mailadres wordt alleen gebruikt voor toezending van de e-mail met de links naar de nieuwe editie. Het adres staat opgeslagen bij MailChimp. MailChimp hanteert een eigen privacybeleid waarmee u instemt als u zich abonneert op onze nieuwsbrief. Elke nieuwsbrief toont een link waarmee toezending kan worden gestopt. Om uw adres eventueel nog te laten verwijderen uit het opzeggingenbestand stuurt u een e-mail aan redactie@ziedaar.nl.